zaterdag 7 mei 2016

Karel de Stoute en zijn juwelen

De Bourgondische hertog Karel de Stoute, geboren in 1433, was een vorst die de pronkzucht van de Bourgondische adel in ere wist te houden. Iemand die graag feest en het breed laat hangen, noemt men nog steeds een Bourgondiër… Maar hij overdreef een beetje in zijn hang naar pracht en praal. Dat zit zo, maar eerst wat geschiedenis. 

  1. De strenge, harde kop van Karel de Stoute in volle wapenrusting, een ets uit een boek uit het einde van de 17de eeuw.








































Karel erfde van zijn vader, Filips de Goede, niet alleen het hertogdom Bourgondië, maar evenzeer de “Zeventien Provinciën”, of zowat het gehele grondgebied van het huidige Nederland en België. Hij was dus evengoed hertog van Brabant, van Limburg en Luxemburg, maar ook graaf van Holland, van Vlaanderen, van Henegouwen, enzovoort… Hij was niet alleen een man van de daad, maar had ook grote dromen. Lang vóór zijn tijd werd het rijk van Karel de Grote, bijna gans Europa, verdeeld onder zijn drie kleinzonen. Daaruit zijn grofweg in het westen Frankrijk en in het oosten Duitsland ontstaan, en het middenrijk daartussen, toegewezen aan de vroeg gestorven Lotharius, werd algauw door zijn twee broers ingepalmd. Onze Karel de Stoute droomde ervan om dat rijk van Lotharius te herstellen. Om te beginnen wilde hij de landen tussen de Zeventien Provinciën en Bourgondië veroveren. Dat lukte hem min of meer – hij veroverde Lotharingen, genoemd naar die “middenbroer”, maar toen kwamen de veldslagen tegen de Zwitsers, en dat viel deerlijk tegen. Op 3 maart 1476, bij de veldslag van Grandson, moest hij in allerijl vluchten en zijn prachtige tent achterlaten. Maar o wee! Daar was ook een schat aan juwelen in opgeslagen, die Karel overal meenam. Het zou maar eens moeten lukken dat hij in een nieuw veroverde stad zijn blijde intrede zou maken, en dan moest hij natuurlijk schitterend voor de dag komen… Maar nu was hij zijn schat kwijt ! 

Uiteindelijk belandden de juwelen in Bazel, waar ze werden getaxeerd en rond 1500 nagetekend. Die tekeningen bestaan nog steeds in het historisch museum van de stad. Kort daarna werden vier topjuwelen verkocht aan de grote bankier Jacob Fugger, voor het enorme bedrag van 40.200 Rijnlandse guldens.

En dan? Vandaag is er geen spoor meer van die kleinoden, wellicht zijn ze uit mekaar genomen en zijn de prachtige stenen apart verkocht, of ze berusten ergens verborgen in de schatkamer van een adellijke familie. Eén van de juwelen, “de Drie Broers” genaamd, is wel te zien op de hoed van de Engelse koning Jacob I, rond 1605; daarna is men elk spoor bijster…

  1. Een gekleurde tekening uit ca. 1545, met bovenaan “De Drie Broers”, daaronder “De Witte Roos” met een rood hart, en met de pronkhoed van de hertog, helemaal bezet met parels, in de hoedrand onderbroken met robijnen en diamanten; op de bol een robijn (?) in punt geslepen, en opzij twee veren, ook bezet met parels. Bewaard in Bazel.


























Volgens de mooie gekleurde tekeningen waren de juwelen bezet met diamanten, robijnen en parels. Vooreerst was er de agrafe “De Drie Broers”, zo genoemd om de drie grote robijnen, die de centrale diamant omringden, samen met vier parels. Het “Federlin”– veertje” - was een hoedenpluim in edelsmeedwerk, met massa’s parels, vijf robijnen en vier diamanten. De “Witte Roos” was van witte emailblaadjes, met in het midden een grote robijn: de witte roos was het embleem van het huis van York in Engeland: de derde vrouw van Karel, Margareta van York, was de zus van de Engelse koning. Tenslotte was er een ongezien rijk insigne van de Engelse Orde van de Kousenband, met een schat aan dezelfde edelstenen, waaronder de nog immer mysterieuze leuze Honi soit qui mal y pense, geheel gezet van langwerpige diamanten met een scherpe zijde naar boven, ezelsrugdiamanten genaamd, waarmee al eens meer een korte tekst op een juweel werd aangebracht. Bovendien moet er nog een kostbare hoed zijn geweest, vol edelstenen, waarvan wel een tekening bestaat, maar geen beschrijving.

De eerste, de agrafe “De Drie Broers” is wel niet voor Karel de Stoute gemaakt, maar voor zijn overgrootvader Filips de Stoute, in 1398, door de Parijse edelsmid Jehan Ruissel. Zo is ook te begrijpen dat de grote diamant vrijwel onbewerkt lijkt, want de technieken voor het slijpen zijn pas grondig ontwikkeld in de 2de helft van de 15de eeuw. Karel sneuvelde op 5 januari 1477, een ijskoude dag, terwijl hij Nancy belegerde. Dan was hij dus niet alleen zijn juwelen kwijt, en een kostbaar aandenken aan zijn voorvader, maar vooral: zijn leven…

Toen het bericht van zijn dood bij zijn vrouw Margareta en dochter Maria in Brugge aankwam, geloofden ze het eerst niet. Edelstenen werden geacht een soort magische kracht te bezitten, en omdat diamant de hardste materie is, moest men deze edelsteen dragen om onkwetsbaar te zijn. Karel droeg altijd diamanten op het slagveld, en dacht dat hij dan beschermd was. Daarom stormde hij ook altijd in de eerste rangen van zijn ruiters op de vijand af. Hij heet in het Frans trouwens Charles le téméraire of de roekeloze, en in het Latijn staat soms Carolus pugnax, de oorlogszuchtige. Hij heeft aan den lijve ondervonden dat bijgeloof niet betrouwbaar is. Door zijn veroveringsdrift zijn prachtige juwelen verloren gegaan, die we anders wellicht in een museum hadden kunnen bewonderen. Maar wie weet, misschien duiken ze nog op!

Tekst: Jan Walgrave

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen